GoALS: waar staan we nu?
GoALS is een meerjarig onderzoeksprogramma waarin we met ruim 120 onderzoekers samen toewerken naar een doorbraak in de genezing van ALS. Hoe ver zijn we hiermee? De voortgang van GoALS wordt jaarlijks samengevat. Hieronder vindt u een overzicht van de huidige stand van zaken binnen de onderzoekspijlers Genetica, Ziektemodellen en Klinische studies (laatste update: september 2026).
Voortgang onderzoekspijler 1: Genetica
Voor het superstamboomonderzoek hebben we een aanpak ontwikkeld die nu soepel en vlot verloopt. Om superstambomen te genereren combineren we klassiek stamboomonderzoek met openbare archieven en het volledig uitlezen van het DNA (het zogeheten whole genome sequencing). In zo’n superstamboom beschrijven we onbekende (verre) verwantschappen tot meerdere generaties terug tussen ALS-patiënten en proberen we families te reconstrueren tot zes of zeven generaties terug. Tot nu toe hebben we 49 superstambomen gevonden, en dat worden er meer, want we blijven DNA-gegevens verzamelen van recent gediagnosticeerde patiënten. Tussen de gevonden superstambomen zitten er ook veel waarvan we de erfelijke oorzaak nog niet kennen. Dat maakt het mogelijk dat we nieuwe genen kunnen ontdekken die met ALS te maken hebben. We zijn druk bezig met het openbaar maken van deze superstamboomaanpak, zodat andere ALS-onderzoeksgroepen ervan kunnen leren en het ook kunnen toepassen.
Binnen het ALS tissue map onderzoek hebben we voortgang gemaakt in het analyseren van individuele motorische zenuwcellen uit het ruggenmerg na autopsie. Daarvan kunnen nu het volledige DNA en RNA uitgelezen worden. Hiermee krijgen we meer inzicht welke genen in deze cellen actief zijn.
Daarnaast zijn we begonnen met de voorbereidingen voor een nieuwe behandeling voor mensen een afwijking in het ARPP21-gen. Het gaat om een zogenaamde behandeling met een antisense oligonucleotide (ASO). Dit is een klein stukje kunstmatig erfelijk materiaal, dat heel gericht aan het boodschappermolecuul van het ARPP21-gen bindt, waardoor de aanmaak van het gemuteerde ARPP21-gen geremd wordt. Ons doel is om het ontwikkelen van deze ASO-behandeling sneller en soepeler te laten verlopen, tot aan de eerste toediening aan een patiënt. Dat willen we ook voor andere gen afwijkingen mogelijk maken. Op dit moment werken we ook aan het naar Nederland halen van een ASO voor het TARDBP-gen, dat in de Verenigde Staten als is goedgekeurd door de FDA. Al deze ervaringen helpen om een efficiënt ASO ontwikkelingstraject op te zetten; zodat we sneller van ‘bench to bedside’ kunnen (ontwikkelingen vanuit het laboratorium zo snel mogelijk omzetten naar nieuwe behandelingen of medicijnen).
Voortgang onderzoekspijler 2: Ziektemodellen
De afgelopen tijd hebben we een betrouwbare en reproduceerbare manier ontwikkeld om motorneuronen (de zenuwcellen die bij ALS verloren gaan) te kweken en hun ‘gezondheid’ te meten over de tijd. Daarnaast weten we nu precies wanneer de duidelijkste verschillen tussen ‘gezond’ en ‘ziek’ meetbaar zijn. Daarom is dit celkweekmodel nu klaar om mogelijke nieuwe medicijnen op te gaan testen ‘in het lab’.
Daarnaast hebben we de kweekmethodes verbeterd om vanuit huidcellen van patiënten motorneuronen met ALS-gerelateerde gen afwijkingen te kweken. Op dit moment zijn we bezig met het onderzoeken van een gen-gerichte therapie die het gendefect aanpakt op dit patiëntmodel in het lab, vergelijkbaar met het inmiddels goedgekeurde medicijn Tofersen. Ook ontdekten we in dit patiëntmodel kleine RNA moleculen die bij ALS veranderen en mogelijk een rol spelen bij ALS. Recent heeft dit werk extra financiering gekregen van de EQT Foundation.
ALS-spiercellen reageren sterker dan verwacht wanneer ze worden gestimuleerd. We verzamelen gegevens om te begrijpen waarom, en onderzoeken verder hoe het gen TDP-43 de verbinding tussen zenuwen en spieren beïnvloedt.
In de onderzoekslijn naar extracellulaire vesicles (EV’s; kleine blaasjes met eiwitten die cellen naar elkaar sturen) ontdekten we dat ALS-cellen schadelijke eiwitten kunnen overbrengen naar gezonde cellen. Daarentegen kunnen stamcellen EV’s af geven die de schade juist weer voor een deel kunnen herstellen. Nu zoeken we uit welke specifieke moleculen hiervoor verantwoordelijk zijn
Tot slot hebben we in ALS organoid modellen weer nieuwe eiwitten ontdekt die gelinkt worden aan ALS. Ook lieten de organoid modellen onder stress verschillende ALS-achtige kenmerken zien. Dit helpt om inzicht te krijgen in hoe de ziekte begint en zich mogelijk verspreidt.
Voortgang onderzoekspijler 3: Klinische studies
Afgelopen tijd hebben we belangrijke stappen gezet in verschillende onderzoekslijnen binnen onderzoekspijler 3: Klinische studies. We hebben gekeken naar risicofactoren in onze leefomgeving die ALS kunnen veroorzaken. Ook hebben we onderzocht hoe we met MRI-scans (hersenscans) kunnen volgen hoe de ziekte verloopt, en of de groepen patiënten die we onderscheiden op basis van een MRI-scan echt kloppen. Daarnaast hebben we beter in kaart gebracht welke problemen met denken en geheugen bij ALS voorkomen en hoe die in de loop van de tijd veranderen. Ons uiteindelijke doel is drieledig: het risico op ALS verlagen (1), de ziekte beter kunnen volgen voor betere zorg en betere onderzoeken naar nieuwe medicijnen (2) en behandelingen op maat mogelijk maken (3). Ook zijn we beter geworden in het meten van stoffen in het bloed die kunnen laten zien dat het zenuwstelsel minder goed werkt door ALS. Hierdoor kunnen we de ziekte in de toekomst misschien volgen met een eenvoudige bloedtest.
De Biobank Neuromusculaire Ziekten verzamelt al lange tijd vragenlijsten die worden ingevuld door mensen met ALS. Deelnemers aan deze onderzoeken vullen regelmatig vragenlijsten in over hun klachten en hun dagelijks functioneren. Daarin staan vragen over lichamelijk functioneren (met de ALS Functional Rating Scale, een internationaal veelgebruikte vragenlijst), over belangrijke momenten in het ziekteverloop en over de prioriteiten van patiënten. Door deze gegevens gedurende langere tijd te verzamelen, bouwen we aan een unieke database. Met de gegevens uit deze database kunnen we zien hoe ALS zich in de loop van de tijd ontwikkelt en welke uitkomsten patiënten het belangrijkste vinden. Deze informatie kan helpen om bij onderzoek naar nieuwe medicijnen beter te meten of een behandeling ook echt werkt. Onderzoekers kunnen ook gebruik maken van gegevens die al zijn verzameld, waardoor onderzoeken kleiner (met minder deelnemers) en sneller kunnen worden uitgevoerd. Op termijn draagt dit eraan bij dat goede behandelingen sneller bij mensen met ALS terecht komen.
We hebben veel ervaring opgedaan met het gebruik van onderzoeken die de werking van zenuwen en spieren meten (een elektrofysiologische spierscan), zowel in de zorg als in het medicijnonderzoek. Die ervaring helpt ons om het gebruik ervan praktischer te maken en de onderzoeken zelf minder belastend en korter te laten duren. Tegelijkertijd willen we dat de metingen zo gevoelig mogelijk blijven: ze moeten goed blijven meten wat er in het lichaam gebeurt, helpen bij het stellen van de diagnose, en laten zien of een nieuwe behandeling werkt. Daarbij maken we waar mogelijk gebruik van wat we hebben geleerd uit eerdere onderzoeken. Zo komen we stap voor stap dichter bij betere behandelingen voor mensen met ALS.
Tot slot hebben we verschillen gevonden in de elektrische activiteit van de hersenen (gemeten met EEG) bij mensen met de C9orf72-mutatie nog voordat zij symptomen laten zien van ALS. Dit is een belangrijke stap om de allereerste tekenen van de ziekte op te sporen. We willen daarmee ook uitzoeken of deze metingen kunnen voorspellen of iemand ALS zal ontwikkelen of niet. Daarnaast zijn we begonnen met het onderzoeken hoe het EEG bij mensen met ALS in de loop van de tijd verandert. Zo hopen we beter te kunnen volgen hoe de ziekte verloopt.