Promotieonderzoek Balint de Vries: nieuwe inzichten in de ontwikkeling van PLS

richard-helmes-verhaal-achter-de-deelnemer-2
10 februari 2026
richard-helmes-verhaal-achter-de-deelnemer-2

PLS is een zeldzame neurologische ziekte waarbij motorische zenuwcellen in de hersenen langzaam achteruitgaan. PLS lijkt soms op andere ziekten, zoals ALS. Dit maakt het lastig om vroeg de juiste diagnose te stellen. Mede door het promotieonderzoek van Balint de Vries weten we beter hoe PLS ontstaat en hoe klachten zich ontwikkelen. Op donderdag 5 februari verdedigde Balint zijn proefschrift in het Academiegebouw in Utrecht.

“Het kan bij PLS ingewikkeld zijn om tot de juiste diagnose te komen”, legt Balint uit. “Onder andere doordat de ziekte zich traag ontwikkelt, kost het soms jaren voordat een definitieve diagnose gesteld kan worden.” Het doel van zijn promotieonderzoek was daarom om het natuurlijke beloop van klachten passend bij PLS in kaart te brengen en de huidige diagnostische criteria voor PLS te evalueren.

Definitieve PLS-diagnose pas na vier jaar

In zijn promotieonderzoek hebben Balint en zijn collega’s jarenlang een grote groep mensen met klachten passend bij PLS gevolgd om de ziekte beter te begrijpen. Vanuit dit onderzoek zijn inzichten ontstaan over hoe variabel de ziekte zich kan ontwikkelen, vooral in hoe het zich uit en hoe snel. “In deze studie onderzochten we een groep PLS-patiënten veertien jaar na hun diagnose nog eens. Dat is heel bijzonder”, vertelt Balint. “Ik reisde het hele land door met lange vragenlijsten om data van 86 mensen met verdenking op PLS te verzamelen. Door de patiënten en hun familie werd ik altijd warm ontvangen.” Deze lange termijn studie bouwde voort op het onderzoek van Frans Brugman, die eerder promoveerde op het onderwerp.

Ook zagen Balint en zijn collega’s dat sommige patiënten die eerder de diagnose PLS kregen, later toch een andere neurologische aandoening bleken te hebben. “Een definitieve PLS-diagnose kan eigenlijk pas worden gesteld nadat iemand vier jaar klachten heeft ervaren. In de eerste jaren blijkt namelijk dat een kleine groep patiënten toch ALS of een erfelijke vorm van spasticiteit (HSP) ontwikkelt.”

Ondanks dat gedacht wordt dat PLS te maken heeft met het eiwit TDP-43, werden na het overlijden in de hersenen van mensen met verdenking van PLS ook andere foutieve eiwitten gevonden. “Eigenlijk kunnen we nu dus pas vaststellen nadat iemand is overleden of diegene echt PLS had, en niet een andere neurologische aandoening”, vertelt Balint. “Nu hebben we alleen nog de diagnostische criteria, op basis van de symptomen die we zien, om dat te bepalen. Hopelijk kunnen we in de toekomst door genetisch en pathologisch onderzoek en nieuwe biomarkers steeds beter zien hoe de profielen van PLS en ALS verschillen.”

Niet alleen motorische klachten

Naast deze lange termijn vervolgstudie heeft Balint met zijn collega’s ook onderzoek gedaan naar problemen met cognitie en gedrag bij mensen met PLS, door neuropsychologisch onderzoek en vragenlijsten,. Voorbeelden van zulke problemen zijn minder remming in eetgedrag of seksualiteit. “De problemen met cognitie en gedrag bij ALS zijn vergelijkbaar met wat we zien bij ALS en frontotemporale dementie (FTD)”, legt Balint uit. “De ziekte verplaatst dan van de motorneuronen, de zenuwcellen die de spieren aansturen, naar andere delen van het brein. We denken dat dit met het ziekmakende eiwit TDP-43 te maken heeft, zoals ook bij ALS.”

Diagnostische criteria

Aan de hand van deze resultaten is Balint voorzichtig kritisch op de huidige diagnostische criteria voor PLS, die stellen dat bepaalde klachten die twee tot vier jaar aanhouden duiden op PLS. “Als clinicus wil je de patiënt zekerheid geven en duidelijk kunnen uitleggen hoe ernstig de prognose is. Maar in de eerste vier jaren van klachten is de diagnose PLS niet zeker en kan de ziekte zich toch tot ALS ontwikkelen. Je weet ook niet of FTD gaat meespelen. Hoewel PLS wordt gezien als een soort tussenvorm van ALS, valt de diagnose niet mee. De fysieke invaliditeit en de mogelijke cognitieve klachten zijn heel ingrijpend. Dit doet ook een enorm beroep op de mantelzorgers, bijvoorbeeld als de persoonlijkheid van een patiënt erg verandert.”

Balint beschrijft de belangrijkste conclusie van zijn proefschrift: “PLS is moeilijk vast te stellen, maar het is ook een verwoestende ziekte. Dat stukje onzekerheid in de eerste jaren kunnen we helaas niet wegnemen. Door meer onderzoek te doen hopen we in de toekomst de prognose beter te kunnen inschatten en eerder meer zekerheid te kunnen bieden. Er moet daarnaast meer aandacht zijn voor de problemen in cognitie en gedrag en voor de omgeving van de patiënt.”

Onderzoek in de praktijk

Mede dankzij het promotieonderzoek van Balint weten we nu beter wanneer PLS zich ontwikkelt en hoe het ziekteverloop zich ontvouwt. Betere diagnostiek en meer aandacht voor niet-motorische klachten zijn belangrijk voor goede zorg, duidelijke voorlichting en toekomstige behandelstrategieën voor PLS. Deze inzichten helpen artsen om mensen met mogelijk PLS beter en nauwkeuriger te begeleiden. Balint heeft ondertussen zijn eigen psychiatrische praktijk. Naast zijn promotieonderzoek volgde hij een opleiding tot psychiater. “Dat ik tijdens mijn promotieonderzoek ook veel in het ziekenhuis heb gewerkt, komt nu mooi uit.”

Het ALS Centrum feliciteert Balint met het behalen van deze prestatie!