Meer genen ontdekt die ALS kunnen veroorzaken
Onderzoekers van het ALS Centrum van het UMC Utrecht hebben nieuwe genetische afwijkingen gevonden die een rol spelen bij het ontstaan van ALS. De groep patiënten waarbij aangewezen kan worden wat de oorzaak is van het ontstaan van de zenuw- en spierziekte is daarmee gegroeid van 20 naar 25 procent. De vondst helpt bovendien om ALS beter te begrijpen en kan op termijn bijdragen aan het ontwikkelen van gerichte behandelingen voor een deel van de patiënten.
De resultaten van het onderzoek zijn vandaag gepubliceerd in het wetenschappelijke tijdschrift Nature Genetics en maken deel uit van het internationale onderzoeksprogramma Project MinE. “Deze vondst betekent niet dat er morgen een medicijn is, maar het geeft ons wel richting voor vervolgonderzoek,” zegt hoogleraar neurologie en neurogenetica Jan Veldink, hoofdonderzoeker van Project MinE.
Voor het onderzoek analyseerden de onderzoekers het DNA van bijna 18.000 mensen met ALS en ruim 200.000 mensen zonder de ziekte. Daarbij werden meerdere genetische afwijkingen gevonden die samenhangen met een verhoogd risico op ALS, onder andere in het ARPP21-gen. Dit geeft aanknopingspunten voor nieuwe behandelingen.
Vanuit GoALS, een meerjarig onderzoeksprogramma waar Project MinE onderdeel van is, wordt aan nieuwe medicijnen gewerkt. De verwachting is dat het zeker nog een aantal jaar duurt voordat het zo ver zou kunnen zijn. Veldink: “We gaan nu, samen met andere partijen, aan de slag om potentiële gentherapieën te ontwikkelen.”
Familiaire en sporadische ALS uitgelegd
Jaarlijks worden er in Nederland ongeveer 500 mensen gediagnosticeerd met ALS. ALS kent twee varianten: familiair en sporadisch. Familiair wil zeggen dat er meerdere mensen met ALS in de familie voorkomen en daarom er een sterk vermoeden is dat de patiënt een afwijkend gen heeft dat de ziekte heeft veroorzaakt. Bij sporadische ALS komen ook genetische afwijkingen voor, maar spelen omgevingsfactoren mogelijk ook een rol. Eén op de tien mensen met ALS heeft de erfelijke vorm, 90 procent heeft de sporadische vorm van ALS. Zeker bij 25 procent van alle mensen met ALS, ongeacht of de ziekte in de familie voorkomt, komt een DNA-afwijking voor.
Voor de meeste mensen met ALS is er nog geen behandeling. In 2022 vormde het middel QALSODY, ook wel bekend als Tofersen, de eerste doorbraak in de behandeling van een genetische vorm van ALS. Dit middel werkt voor mensen met ALS met een zeldzame afwijking in het SOD1-gen. In Nederland is dit slechts één procent van de patiënten.
Het middel is een zogenaamde ‘antisense oligonucleotide’, een stukje kunstmatig erfelijk materiaal dat de aanmaak van het ziekmakende SOD1-eiwit vermindert. Het middel kan zo de ziekte remmen en in sommige gevallen zelfs de spierkracht verbeteren. De hoop is dat er voor de nieuw ontdekte genetische variaties nu nieuwe gentherapieën met antisense oligonucleotiden ontwikkeld kunnen worden.
FAQ
Hoe groot is de kans dat ik ARPP21-ALS heb?
De onderzoekers van het ALS Centrum denken momenteel dat het bij ongeveer 4% van alle vormen van erfelijke ALS (dat wil zeggen: wanneer er meerdere personen met ALS in de familie voorkomen) gaat om een afwijking in het ARPP21-gen, al wordt het exacte percentage nog onderzocht. Bij sporadische ALS lijkt het niet voor te komen.
Moet ik mij nu laten testen om te kijken of ik/mijn familie deze genafwijking heb?
Het ALS Centrum biedt iedereen met erfelijke ALS DNA-onderzoek aan. Daarbij wordt sinds januari 2026 ook getest op ARPP21. Het is mogelijk om dit onderzoek opnieuw te laten uitvoeren als er bij eerder DNA-onderzoek geen oorzaak is gevonden. Daarbij is het wel belangrijk om stil te staan bij de reden voor hernieuwd onderzoek. Hoewel er momenteel nog geen behandeling beschikbaar is, kan het wel duidelijkheid geven over de oorzaak van ALS binnen een familie.
Gezonde familieleden van mensen met erfelijke ALS kunnen zich laten testen, wanneer er bij een familielid met ALS een genetische afwijking in ARPP21 is vastgesteld. Als de patiënt al is overleden, ligt het initiatief voor DNA-onderzoek in eerste instantie bij de partner en/of kinderen van de patiënt. Dit traject verloopt via de huisarts, die vervolgens kan verwijzen naar een klinisch geneticus. DNA-onderzoek bij gezonde personen is niet zonder nadelen: omdat er momenteel nog geen behandeling beschikbaar is, kan de uitslag gevolgen hebben voor bijvoorbeeld verzekeringen en hypotheken. Daarom is het een persoonlijke en weloverwogen keuze om genetisch onderzoek wel of niet te laten uitvoeren.
Wanneer is er voor ARPP21-ALS een behandeling beschikbaar?
Wanneer er een behandeling is voor mensen met een genetische afwijking in het ARPP21-gen is moeilijk te zeggen. Er wordt al hard aan gewerkt. Een behandeling is op zijn vroegst over twee jaar beschikbaar, maar als de ontwikkeling moeilijker blijkt dan verwacht, kan dit ook oplopen tot vijf jaar.
De mogelijke behandeling zou lijken op Tofersen, een behandeling die nu al wordt ingezet bij ALS veroorzaakt door een afwijking in SOD1, een ander gen. Dit betekent elke vier weken een ruggenprik. Die behandeling is veilig. Soms zijn er bijwerkingen, maar die zijn te behandelen.